Mijn oma gaat dood. Al even. Het afgelopen jaar werd haar rug krommer, haar ogen iets minder fel, de pijn erger. En nu we eindelijk weten wat het is, is er geen hoop op beterschap. En alle wetenschap ten spijt, is er ook geen troost. Geen troost in het weten wat het is. Geen troost in het moeten afgeven van mijn mémé.
Er is alleen de naakte waarheid, dat er al een jaar drie tumoren groeien in dat eens zo krachtige lijf, een lichaam dat altijd fier rechtop heeft gelopen, truien met zeilboten op breide, waarmee ze haar meer dan honderd meter diepe tuin te lijf ging met een verbeten liefde, dat drie keer per dag de steile trap op en af stoof om eten uit de kelder te halen, dat mijn opa dertien jaar ondersteunde en verzorgde, dat fietste van hot naar her, dat leefde. Rechtstond. Rondwandelde. Honger had.
Van haar komt de allergie die ik heb voor onechtheid. Voor in stevige discussies of in tijden van moeilijke vragen toch nog eens een kwinkslag te maken en ne keer goed te lachen – desnoods met uw eigen probleem. Van af en toe schouders ophalen en voortdoen. Van voor elk probleem bestaat een oplossing. Van het besef dat ge niet moet neuten maar uw beste beentje voorzetten. Roeien met de riemen die ge hebt, de talenten die ge hebt gekregen, de keuzes die ge hebt gemaakt. Van dat ge totaal van mening kunt verschillen, en mekaar tegelijkertijd toch heel graag kunt zien. Van ruimte geven en krijgen. Van opstaan na vallen. Van ambitie en rechtdoorzee. Van op tafel te slaan en er iets aan te doen. Van triestig te mogen zijn, zonder te vergeten dat ge nooit kunt weten wat achter den hoek ligt.
Het doet pijn om haar nu te zien. Door de medicatie is ze af en toe in de war. Ze kan nog lachen soms maar haalt ook hard uit naar zij die het dichtste bij haar staan. Ze wil hier niet meer zijn, en net het besef dat je haar moet laten gaan, en het verdriet dat veroorzaakt, is niet onder woorden te brengen.
Sterven is niet mooi. Ze krimpt. Ze wordt een schaduw van wie ze was. De mist komt op. Ze kan niet meer goed lopen, ze slaat soms wartaal uit, ze heeft pijn. Ze rochelt en hoest, en ze is soms bang en angstig zoals een kind in het donker. Ze verdrinkt in de zetel waarin ze zit. Ze eet haar eten niet meer op.
En alle clichés ten spijt – ‘ze heeft een mooi leven gehad/ de laatste zomer was nog prachtig/ voor haar is dit het beste’ -; ik vind het moeilijk om dit te slikken. Ik haat het om haar te moeten afgeven. Ik haat het om te beseffen dat warme zomerdagen op de bank in de tuin – terwijl één, twee of drie achterkleinkindjes op hun duwfietsen voorbijsjeezen – over zijn. Dat we nooit meer zullen tikken op de ramen van de veranda, waarna ze haar bril zal afzetten en opkijken uit de krant, en ons toelachen. Dat koffie in de achterkamer, of een boterham met kaas en een kop koffie ’s avonds voor het terug naar Antwerpen rijden er niet meer in zal zitten. Dat we geen oliebollen meer zullen maken tijdens de koers, geen nieuwjaar meer in de voorkamer, geen opmerkingen meer naar u hoofd worden geslingerd die weliswaar direct zijn maar u ook aanzetten tot nadenken. Dat ze niet meer kan vertellen over vroeger, dat ze geen advies meer kan geven, dat ik ze niet meer zal horen sakkeren “is dat nu nodig, al uw geld in de sneeuw gaan smijten” als ik ging skieën.
Dat ze uitdooft als een extreem goei kampvuur, dat er enkel nog liefde zal overblijven, herinnering, een vage vlek in de film van mijn hoofd. Mijn gemis ook. De leegte. De stilte.


