Ze komen enkel buiten bij valavond en de nacht. Ik kom meestal terug van mijn werk zo tussen zeven en half acht ’s avonds, kom bovengronds uit de metro en daar staan zij op de stoep, tegen bomen, rond de bushalte, tegen het gebouw aan de overkant van de straat. Ze dragen te korte rokken en te dunne tshirts voor guur herfstweer, en teveel make up en maken gewillig een draai rond hun as als er een auto traag voorbijrijdt.
En zo is Brussel, honderd meter verder, ter hoogte van de KVS, gaat het beter, en nog eens honderd meter verder zou het niet eens in je opkomen dat ze er staan, aan de metrohalte. Soms zie je ze in de rij bij het gb’ke, te magere vale vrouwen wiens knoken uit hun knieën steken, wiens verlepte haar in pieken rond hun gezicht hangt, wiens ogen wijd en naar alle kanten schieten van de drugs.
Ik dwing mezelf te kijken naar dit troosteloze tafereel. Elke avond opnieuw. In het weekend is het erger. En het knettert dan echt in mijn hoofd: voor deze mensen is seks iets verhandelbaar. Iets dat je kan nemen van iemand. Iets dat je kan verkopen voor 50 euro en waarover je kan marchanderen – dit is te duur, zoveel ben je niet waard. Het is een machtsspel en een puur economisch iets. Zij doen het want hebben geen geld, geen toekomst, geen leven en zij doen het want het is hun enige weg uit de existentiële eenzaamheid.
Soms kom ik thuis van een reis en haat ik mijn buurt. De eerste meters nadat je uit de metro komt is het vuil, loopt er guur volk en slaat de rauwe realiteit van straatleven en hoererij in uw gezicht. En daar loop ik dan, hooggehakt en hooggepaardestaart, met mijn samsonite achter me aan, mijn schoudertas vol geschenken voor familie en vrienden en mijn handtas met een bankkaart en een kredietkaart en een kaartje van de hospitalisatieverzekering en de kortingkaart van het werk en een identiteitskaart, een rijbewijs – papieren quoi.
Soms kom ik thuis en vind ik dat ik iets moet doen.
En soms kom ik thuis en doet het me beseffen hoeveel geluk ik heb. Dat ik al mijn kansen heb gekregen. Dat mijn land niet door oorlog wordt verscheurd of door een corrupte regering wordt bestuurd. Dat ik niet verslaafd ben en ook niet door zeer trieste omstandigheden in dat soort situaties gedwongen word. Want nu ik dat elke dag zie gebeuren voor mijn ogen, geloof ik niet dat mensen dit ooit uit vrije wil kiezen.
Op zulke dagen, rest er mij niets anders dan stille dankbaarheid. Blij dat ik mijn eten kan kopen met geld dat ik verdien door een meer dan interessante job, dat ik word omarmd door iemand waarvan ik hou. Dat seks voor mij altijd iets moois is geweest en niet gelinkt is met overleven, verslaving, noodzaak.
Ik loop elke dag langs hen, langs de straathoeren van het Yzerplein, langs de loerende mannen en de trage auto’s. De blikken van die mannen zijn leeg en geil en zielig. Het is echt denigrerend, zoals ze naar de straathoeren kijken en zoals ze kijken naar elke vrouw die er passeert. En het is triest en liefdeloos; ze leerden niet lief te hebben of ze moeten ontzettend eenzaam zijn of kunnen een vrouw niet versieren of houden of van haar houden. Dus ze nemen wat ze willen; haar lijf en haar tijd. Ze doen voordeel bij de onwaarschijnlijk triestige verhalen die de stoep op en af lopen.


